De winkel van de Amsterdamse juwelier Lyppens is voor de meeste klanten het paradijs op aarde. Kruip door, sluip door en soms lang wachten, maar je kunt er wel je ketting nog laten rijgen....Je moet zijn winkel wel een ‘beetje begrijpen’ om ’m te kunnen waarderen, zegt eigenaar Joost Lyppens. ‘Ik heb klanten die zeggen: ‘Mijn vrienden weigeren hier te komen, want ze trekken dit niet.’ Die hebben een heel ander beeld van een juwelier.’

Verkoopster Willy Groen, alweer veertig jaar in dienst van de piepkleine zaak in de Amsterdamse Langebrugsteeg: ‘Ik weet nog goed dat ik een lid van een koningshuis aan het helpen was. Ineens komt er een andere klant van me binnenwandelen, een prostituee, met haar bromfietshelm nog op. ‘Hé Willy! Maid!’ Ze ploft zo bij ons aan tafel. Ik dacht: Wil, blijf kalm. Lyppens is Lyppens en dat weet die dame van het koningshuis ook, anders kwam ze hier niet. Nou: ik maakte een kopje koffie, de prostituee deed haar helm af en alles liep verder fantastisch.’

Het is vrijdagmiddag, primetime voor de levendigste juwelier van Nederland, waar de sfeer hangt van een bazaar. Een begrip in Amsterdam. Filmproducent Rob Houwer diende zich al eens aan, met de vraag of hij een ‘soort soap’ over de winkel kon maken, en diverse omroepen meldden zich met plannen voor een documentaire. Uitgesloten: de privacy van het zeer gemêleerde klantenbestand mag niet worden aangetast.

Op de zesde verdieping van het smalle 17de-eeuwse pandje houdt Lyppens het scherm met opnamen van de winkelvloer in de gaten. Twee poppetjes, vier poppetjes, acht poppetjes, tien poppetjes – totdat er niet één poppetje meer bij kan, op die paar vierkante meter voor de toonbank. Dan moeten de mensen buiten blijven. Zoals je normaal op zaterdagmorgen bij de bakker wacht voor een paar kadetjes, staan de klanten bij Lyppens in de rij om een antieke diamanten ring, een bloedkoralen ketting of een zilveren bestek te kopen.

Oud-bankmedewerkster Milena uit Amsterdam (bijna 35 jaar vaste klant), vertelt later: ‘Het is een genot in die winkel te zijn. Dat is kunst.’ Haar man Fred: ‘Lyppens is Milena’s hobby.’

Om haar hals heeft Milena een dik dubbel parelsnoer en een zware gouden ketting, om beide armen hangen stevige oude gouden armbanden en aan acht vingers grote antieke ringen – bijna alles heeft ze bij Lyppens vandaan.

Liefde voor oude sieraden had Milena al van jongs af aan, alleen: het geld ontbrak. In 1976 keek ze voor het eerst naar iets bij Lyppens, een paar dunne zilveren ringetjes, voor 20 gulden. ‘Ik was meteen verkocht. Die bediening, die mensen.’ Terwijl achter haar de rijen groeiden, bleef ‘meneer Lyppens’, vader van Joost en oprichter van de winkel, ringen aandragen. ‘Alle tijd, kosten en moeite: het maakte niks uit, als ik maar de goeie ring vond.’

Willy Groen, tegenwoordig de favoriete verkoopster van Milena (‘Willy weet wat mijn smaak is’), had als 23-jarige dezelfde ervaring, toen ze van haar vader een ringetje cadeau kreeg. ‘En maar wachten. En maar wachten. En maar wachten. Bij de kruidenier was ik allang weggelopen. Maar er werd gelachen. Wat is het hier leuk, dacht ik, wat zou ik hier graag werken. ‘Bij Lyppens hebben ze de tijd’, hoor je over ons. Het kan ook even duren voordat we gevonden hebben wat de klant precies in zijn hoofd heeft. Er zijn zo veel hoeken en gaten waar nog iets kan liggen.’

Joost Lyppens: ‘Soms krijgen we te horen: ‘Moet ik een nummertje trekken?’’

De winkel is een toverdoos vol kostbare spullen. Geen glanzend marmer op de vloer, maar huiselijk rood tapijt. De muren zijn behangen met vitrines en kettingen, op de kasten verdringen de zilveren fotolijstjes en joodse kandelaars elkaar. Antiek, modern, stijlsieraden uit de periode van art nouveau, het Victoriaanse tijdperk, de jaren vijftig, turkoois, alle soorten parels, zwarte en witte diamanten, een fragiele beeldschone broche van 995 euro in de vorm van een viooltje; alles wat een klant maar kan wensen wordt wel ergens vandaan gegoocheld, in het schemerige pandje. Of de verkopers bedenken samen met de klant een ontwerp dat door de goud- en zilversmeden en andere vaklieden in het atelier op de derde verdieping wordt uitgevoerd. Ambachten die naar lagelonenlanden verdwijnen, worden hier gekoesterd. Zoals het (opnieuw) rijgen van kralenkettingen, een specialisme dat langzaam wegebt.

Groen, voorzichtig: ‘Ik denk dat we een van de grootste juweliers zijn in Nederland. Maar ja, op die paar vierkante meter, je gelooft het haast niet, hè? Lyppens, nog voorzichtiger: ‘Wat is groot, wat is klein? Sommige collega’s hebben zich gespecialiseerd in antieke sieraden van boven de 10 duizend euro; die verkoop ik niet gemakkelijk in deze winkel. Maar onze omloopsnelheid is wel groot; we verkopen heel veel stuks.’

Groen: ‘Mensen zeggen weleens: ‘Ik was bij een juwelier of een diamantair en daar hadden ze’ Ik zeg: ‘Ik weet niet of u op de hoogte bent, maar’ Dan laat ik een doos diamanten zien. Natuurlijk zijn wij diamantair, en nog een grote ook. Achter de schermen gebeurt hier zoveel, maar dat moet je ontdekken.’

Vader Herman Lyppens, afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen, leende in 1959 10 duizend gulden van zijn vader om de winkel te beginnen. De goudsmid haalde een paar sinaasappelkistjes bij de groenteboer aan de overkant, legde er lappen overheen en stalde daar zijn enige sieraden op uit, zeven ringen. Verder verkocht hij curiosa als wajangpoppen en Zeeuwse klederdracht. In de avonduren verdiende hij bij door de gordijnen op te hangen die zijn vrouw naaide. Al snel begon de winkel goed te lopen. Lyppens: ‘Mijn vader is een enorme handelaar geweest, altijd. Hij kan ouwehoeren; je wilt het niet weten. Toen we eenmaal op wintersport konden, moest mijn tweede broer bij de skiverhuur gaan vertellen dat we elke week terug zouden komen met een bus vol Nederlanders. Dat zag die man wel zitten. Zodoende hoefden wij per week maar vier tientjes te betalen voor de ski’s, in plaats van vijf.’

Herman Lyppens – hij woont nog steeds vlak bij de winkel – introduceerde ook het succesvolle systeem van het inruilen van oude sieraden. Klanten die hun sieraad beu zijn, kunnen het bij Lyppens, met of zonder bijbetaling, inruilen voor een ander juweel. Een andere vondst van Herman Lyppens: de uitgebreide selectie bedeltjes, vanaf 3 euro. Iedereen, van arm tot rijk en van jong tot oud, moest bij hem wat kunnen kopen, was zijn overtuiging. Die laagdrempeligheid betaalde zich later terug. Groen: ‘Oma komt met een kleinkind een zilveren bedel kopen en tegen de tijd dat je drie keer met je ogen hebt geknipperd gaat het kleinkind trouwen en staat ze hier met haar toekomstige echtgenoot een ring uit te zoeken.’

Herman selecteerde zijn personeel vooral op persoonlijkheid. ‘Mensenmensen’, zoals Joost ze omschrijft. ‘Het is wel zo: iemand werkt hier een week, of dertig jaar. Je moet in deze winkel passen.’ En: ‘Leeftijd is onbelangrijk.’ Twee verkoopsters zijn boven de 70.

Het behagen van de klant gaat ver. Lyppens zou een joodse familie zijn, is het verhaal. Onzin, maar Herman en Joost Lyppens hebben nooit de behoefte gevoeld het tegen te spreken – de klant is koning en heeft altijd gelijk. Groen schiet er nog steeds van in de lach: ‘Als Herman werd gevraagd of hij joods was, antwoordde hij altijd: ‘Een beetje.’ Of: ‘Halfhalf.’ Joost Lyppens: ‘Ik heb natuurlijk veel joodse vrienden en relaties, we hebben tenslotte een joods vak. En we verkopen veel joodse zilveren gebruiksvoorwerpen, zoals de chanoekia en de jad. Er zijn ook klanten die denken dat onze Surinaamse winkelmanager Fred mijn broer is. Terwijl: Fred is zo zwart als roet en ik ben zo blank als een pak melk. Maar tuurlijk is Fred de broer van meneer Lyppens, waarom zou ik dat ontkennen? Als de klant een rollenpatroon wil, vinden wij dat prima.’

Joost Lyppens waste ‘drie miljoen kopjes’ af, in de jaren dat hij begon mee te helpen in de zaak van zijn vader. ‘Loop even mee met die mevrouw naar de tram’, kreeg ik te horen. Of: ‘De motor van de auto van die man kookt, ga hem een emmer water brengen.’ Een belangrijke les: zo ga je met klanten om. Hoffelijkheid. En: ook de baas mag nergens te beroerd voor zijn. ‘Als het moest, maakte mijn vader zelf het tapijt schoon.’

In 1998 nam Joost de winkel over, samen met zijn vrouw Willemijn. In eerste instantie stond zijn vader nog twee dagen per week in de zaak. Een onmogelijke opgave voor iemand die bijna de verpersoonlijking van zijn winkel was geworden. ‘Dan hadden Willemijn en ik bedacht dat we maar eens moeten stoppen met het repareren van uurwerken, maar nam mijn vader gewoon nog horloges aan in de twee dagen dat hij er was. Elke vernieuwing, elke modernisering kwam tot stilstand in die dagen.’

Maar er moest gemoderniseerd worden: er was zelfs nog geen computersysteem. ‘Mijn vader vond dat onzin. Per dag waren we drie uur aan het zoeken naar gerepareerde sieraden – de helft van de klanten meldde zich zonder afhaalstrookje. De arbodienst kwam controleren en moest bijna huilen om wat ze aantrof in dit ouwe pandje, dat aan alle kanten uit zijn voegen groeide. Alles wat niet mocht, deden wij. En we hadden een dame die een dag per week bezig was om openstaande rekeningen binnen te halen.’
Groen, nostalgische glimlach: ‘Tegen klanten zei Herman: ‘Neem maar mee. Néém maar mee.’

Nu heeft Lyppens dertig personeelsleden. Toch is de sfeer nog steeds hetzelfde als vroeger, vindt Groen. Joost Lyppens: ‘Zonder mijn vrouw zou ik het niet kunnen. Die zit hier als een iron lady, als een Margaret Thatcher.’
De etalage ligt en hangt nog net zo overvol als in de dagen van Herman Lyppens. Met zichtbare prijskaartjes. ‘Dat je niet schrikt, dat je niet hoeft door te vragen in de winkel.’ De bedeltjesbak is in ere gehouden. Lyppens: ‘Hou op met die bedelbak, denk ik weleens, als een moeder met twee dochters een uur in die bak staart – je staat er wel naast.’ Groen: ‘Maar het wordt nooit vergeten.’ Lyppens: ‘De afgelopen twee jaar was ik erg blij met de bedelbak. Collega’s met sieraden die beginnen vanaf 1.000 euro, hebben het moeilijk. Na de beursbengels, blijven nu ook de vastgoedjongens weg. Die kleine bedragen, dat moet je blijven doen. Is een klant lief geholpen met een bedeltje van 5 euro, dan weet ze dat ze ook lief geholpen wordt met een ring van 500 euro.’

Er zijn de afgelopen jaren een paar extra zithoeken gemaakt, een verdieping hoger in het smalle pandje, waar klanten rustig kunnen kiezen, om ‘even uit het gedrang’ te zijn, zoals Groen het verwoordt. Leden van het koningshuis, (oud-)politici en wat andere bekende Nederlanders bellen van tevoren om een afspraak te maken. ‘Maar sommige prinsessen staat hier net zo goed in de rij hoor’, zegt Lyppens.
Na tweeën begint de drukte pas goed. De winkel is veranderd in een gonzende bijenkorf, met klanten die zich verdringen voor de toonbank, en verkopers die de smalle, steile trappen op en af vliegen, op zoek naar dat ene speciale. Een mevrouw bekijkt kritisch de grote gouden armband, om haar pols: ‘Als ik hiermee binnenkom, denkt toch iedereen: wie is die armband?’ De verkoper: ‘Sommige mensen willen dat.’

Een jonge man meldt zich bij Groen, trekkend aan een grote zegelring om zijn vinger: ‘Waar kan ik mijn handen wassen met zeep? Ik krijg die ring niet meer af. Is het eigenlijk diefstal, als ik nu wegloop?’
Een heerschap uit hogere kringen valt Lyppens’ kamer op de zesde verdieping binnen. Zelfs hier klinkt af en toe nog het gestommel op de winkelvloer door. ‘Een heel goede middag’, groet Lyppens zijn vaste gast (geen namen), die een paar keer per week komt koffiedrinken. De voormalige topman, een goede bekende van de Oranjes: ‘Ik ga heel snel weer weg. Zit je geld te tellen?’ Lyppens: ‘U hoort het apparaat lopen'.‘Ach ja’, zegt Groen later, ‘dit kan toch nooit een juwelier worden met marmer en gladde etalages? Dan zijn we verloren.’

De geest van Herman Lyppens waart nog steeds door de zaak, en af en toe grijpt hij persoonlijk in. Lyppens: ‘Dan belt hij me op. ‘Ik wil me nergens mee bemoeien, jongen. Ik wil niet zeuren, want het is je vrije dag, maar de tableaus in de etalage zijn niet aangevuld, let daar op. En de laatste keer vond ik het toch wat vettig ruiken in de winkel, daar moet je iets aan doen. Wist je trouwens dat afgelopen zaterdagnacht het rolluik niet helemaal dicht zat?’

Tekst Fotografie Steffie Kouters, Judith van IJken
Bron: De volkskrant